Links

Nuttige inlichtingen

Wettelijke bepalingen

Wettige verdediging.

In de volksmond spreekt men van wettige zelfverdediging. Het is een enigszins misleidende term omdat het recht om zich te verdedigen – wat we direct zullen zien - niet alleen het eigen leven betreft maar ook het leven van derden en zelfs hun eerbaarheid. Daarom houden we het liever bij wettige verdediging. Men spreekt ook van noodweer.

Van oudsher hanteren alle rechtssystemen de notie wettige verdediging als een rechtvaardigingsgrond die op het natuurrecht is gebaseerd, nl. wie aangevallen wordt, heeft het recht zich te verdedigen. Een maatschappij heeft geen alternatief. Waar de mogelijkheid onbestaande is dat het rechtssysteem de slachtoffers van misdrijven beschermt, moet deze in de mogelijkheid gesteld worden zichzelf te beschermen.

De theorie van de wettige verdediging wordt uit de doeken gedaan in de art. 416 en 417 van het Strafwetboek. Beginnen we met art. 416: ‘Er is noch misdaad, noch wanbedrijf, wanneer de doodslag, de verwondingen en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van de wettige verdediging van zichzelf of van een ander’.



Willen we van wettige verdediging kunnen spreken dan moeten volgende voorwaarden verenigd zijn:

  1. Er moet een aanslag met geweld tegen personen of ten minste een nakend gevaar van aanranding bestaan. De aanranding mag niet voor doel hebben goederen of rechten op zaken te beschermen. De aanslag moet gericht zijn tegen personen en deze, hetzij in hun leven, hetzij in hun lichaam of in hun eerbaarheid bedreigen.
  2. De aanranding moet onwettig zijn. Men mag zich niet te weer stellen tegen bijv. politieagenten die handelen in de regelmatige uitoefening van hun ambt. Weerstand zou enkel toegelaten zijn als ze klaarblijkelijk buiten alle recht en buiten elke bevoegdheid optreden.
  3. De aanval moet ernstig zijn. De voorwaarde dat de aanval ernstig moet zijn is eveneens een verdere uitwerking van de noodzaak van de verdediging. Voor de beoordeling van die voorwaarde moet men zich in de toestand van de aangevallene plaatsen. Hij is immers die in de eerste plaats het ernstig karakter van de aanval moet afwegen. Zijn beoordeling dient echter redelijk te zijn.
  4. Het criterium van de ernst van de aanval is essentieel afhankelijk van de wisselende sociale toestanden en wijzigt zich bijgevolg wat de inhoud ervan betreft naargelang de tijd en de omstandigheden. De aanval die de dood of zware verwondingen tot gevolg kan hebben, is ongetwijfeld ernstig, maar ten aanzien van andere gevallen als lichte slagen of het geweld gebruikt naar aanleiding van andere misdrijven als aanranding van de eerbaarheid, zal de beantwoording afhangen van de sociale toestand in zijn geheel.
    Voor de aanranding van de eerbaarheid en poging tot verkrachting wordt aanvaard dat deze het ernstig karakter vertonen, zoals vereist voor de aanwezigheid van wettige verdediging. Hetzelfde wordt aanvaard voor de aanslagen op de persoonlijke vrijheid.
  5. De verdediging moet ogenblikkelijk zijn. Men mag de aanslag op het ogenblik dat hij zich voordoet afweren, zelfs met wapens. Eenmaal de aanslag voorbij – zo de aanrander zich bijv. terugtrekt – dan is er geen wettige verdediging meer mogelijk. Stel dat de aangerande persoon zijn aanrander achtervolgt en slaat of verwondt, dan kan er wel verschoning bestaan op grond van uitdaging maar geen wettige verdediging. M.a.w. wettige verdediging mag geen weerwraak zijn. Wanneer er geen ogenblikkelijkheid is, kunnen de slagen gebeurlijk wel gerechtvaardigd zijn door morele dwang, of verschoond door provocatie, en kunnen in alle geval natuurlijk steeds verzachtende omstandigheden in aanmerking worden genomen.
  6. De verdediging moet in verhouding zijn met het gepleegde geweld.
    De verhouding tussen de aanval en het verweer is een feitenkwestie die door de rechter niet in enge zin beoordeeld wordt. Hij zal rekening houden met de subjectieve toestand, d.i. de geestesgesteldheid, van het slachtoffer dat zich teweerstelde. Hij die een klap in het gezicht krijgt, is niet gerechtigd de andere een messteek toe te brengen. Enige vuistslagen zullen geen doodslag kunnen wettigen.
  7. De aangewende middelen moeten noodzakelijk zijn. Er moet een onmogelijkheid bestaan om op een andere wijze het gevaar af te weren. Er bestaat noodzaak wanneer men zich in de onmogelijkheid bevindt de bijstand van bijv. de politie in te roepen en dat men bovendien de aanranding op geen andere wijze kan afgeweren.

De noodzaak verdwijnt zodra het gevaar ophoudt of de daad voltrokken is. Noodweer mag niet verder gaan dan datgene wat nodig is om zich te verdedigen. Indien de verdediging te ver gaat dan is zij strafbaar, doch in mindere mate aangezien er een reden van wettige verschoning voorhanden zou zijn (art. 411 SWB).

Het recht tot wettige verdediging kan op twee manieren teniet gedaan worden:

  1. De aangevallene kan voortgaan met zich te verdedigen, ook als het gevaar al geweken is.
  2. De aangevallene kan tot zijn verweer een middel gebruiken dat in de gegeven omstandigheden niet noodzakelijk is.

In beide gevallen kan de aangevallen persoon art. 71 SWB te zijnen voordele inroepen, nl. ‘een drang waaraan hij niet kon weerstaan’. Als zulks aanvaard wordt door de rechtbank dan gaat betrokkene vrijuit.

Doodslag is gerechtvaardigd zelfs indien de aangerande persoon door te vluchten aan het gevaar kon ontsnappen. Vluchten is inderdaad geen wettelijke verplichting. Het recht moet immers niet buigen voor het onrecht.



Onderzoeken we nu art. 417 SWB dat twee gevallen van ogenblikkelijke noodzaak van de verdediging voorziet:

  1. Wanneer de doodslag gepleegd wordt, wanneer de verwondingen of de slagen toegebracht worden bij het afweren, bij nacht, van de beklimming of de braak van afsluitingen, muren of toegangen van een bewoond huis of appartement of de aanhorigheden ervan, behalve wanneer blijkt dat de dader niet kon geloven aan een aanranding van personen, hetzij als rechtstreeks doel van hem die poogt in te klimmen of in te breken, hetzij als gevolg van de weerstand welke diens voornemen mocht ontmoeten.
  2. Wanneer het feit plaats heeft bij het zich verdedigen tegen de daders van diefstal of plundering die met geweld tegen personen wordt gepleegd.

Deze twee gevallen vergen wat toelichting omdat de wetgever de noodzaak van de verdediging laat volgen uit een vermoeden. Vooreerst is de afwering bij nacht van de inklimming in een bewoond huis gebaseerd op het vermoeden door wie zich in het huis bevindt, van de kwade bedoelingen van de inbreker. Dit vermoeden is echter slechts juris tantum[1] en kan weerlegd worden door het bewijs dat een aanranding van de persoon in geen enkel opzicht te vrezen was.

Men mag echter de woorden ‘afwering van de inklimming’ niet letterlijk opnemen: ook als de inklimming nog niet begonnen, doch manifest voorbereid of al voltooid is, zullen de slagen aan de inbreker gerechtvaardigd zijn.

In het tweede geval is de verdediging tegen diefstal of plundering met geweld ook op een vermoeden gebaseerd. De strafwetgever heeft het criterium van de ernst van de aanval en van het gebruikte geweld bij voorbaat opgelost. De reden ervan is de afschrikking van plunderaarsbenden. Vandaar ook dat het vermoeden als juris et de jure[2] voorkomt. Sommige juristen vinden een dergelijk vermoeden overdreven en opteren hier slechts voor een vermoeden juris tantum.

Met diefstal met geweld dient de afpersing gelijkgesteld te worden.



De verdediging tegen misdrijven tegen de eigendom daarentegen wordt niet aanvaard, behoudens in het uitzonderlijk geval voorzien bij art. 417 SWB waar de voorwaarde gesteld wordt dat een aanval tegen de persoon eveneens te vrezen was. De tekst van art. 416 SWB laat de verdediging van goederen niet toe, ook niet volgens de ruimste interpretatie.

Slagen toegebracht ter verdediging van goederen kunnen echter in voorkomend geval gerechtvaardigd zijn door dwang. Tevens moet aanvaard worden dat wanneer de dader van een misdrijf tegen de eigendom zich met geweld verzet tegen de pogingen van het slachtoffer om dit te verhinderen, deze laatste wettige verdediging zal kunnen inroepen.



Bronvermelding

  1. Belgisch Strafrecht, deel II – C.J. Vanhoudt en W. Calewaert – Story-Scientia Gent,1968.
  2. Strafrecht en Strafvordering – E. Van de Vliedt – School voor Criminologie en Criminalistiek Brussel, 1975.


[1] Juris tantum = omstootbaar vermoeden door tegenbewijs te leveren.

[2] Juris et de jure = geen tegenbewijs te leveren (is bijgevolg een wettelijk vermoeden).

Nuttige adressen

FROS Amateursportfederatie vzw
Huis van de Sport
Boomgaardstraat 22 bus 35
2600 Antwerpen (Berchem)
03 286 58 00
www.fros.be

Cel Wapenregister Gentse Politie
Houtdoklaan 3
9000-Gent
09 266 64 80

Oost-Vlaamse Politieacademie vzw (OPAC)
Sprendonkstraat 5 (havennummer 4230A)
9042 Gent
09 345 69 64
www.opac.be

Federale diensten gouverneur van Oost-Vlaanderen
Federale directie politiezaken en wapens
Kalandeberg 1
9000 Gent
09 267 88 10
wapenvergunningen@oost-vlaanderen.be
www.oost-vlaanderen.be/wapenwet

Federale wapendienst
Waterloolaan 115
1000 Brussel
02 542 65 11
www.just.fgov.be

Federale Proefbank voor vuurwapens
Rue Fonds-des-Tawes 45
4000 Luik
04 227 14 55
info@bancdepreuves.be

Varia

Omzendbrief gouverneur West-Vlaanderen - illegale wapens

FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN

De Gouverneur van de provincie West Vlaanderen

(rondzendbrief 27.11.2009 - ref W/HA/19 patrick.bertin@west-vlaanderen.be)

De wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (wapenwet genoemd) verplichtte de bezitters van een wapenvergunning die afgeleverd werd voor 9 juni 2001, om een hernieuwing van deze vergunning aan te vragen voor 31 oktober 2008.

De politie is ondertussen begonnen met een controle van de wapenbezitters die niet binnen deze termijn een hernieuwing hebben aangevraagd. Vele wapenbezitters ontvingen reeds van de lokale politie of van de procureur des Konings een schrijven waarin duidelijk gemaakt wordt dat het wapen van de betrokken “eigenaar” niet langer wettelijk in het bezit kan gehouden worden.

Indien de betrokken personen na het einde van 2009 het wapen nog steeds in het bezit hebben, kan dit aanleiding geven tot een dagvaarding voor de correctionele rechtbank.

Om alle onduidelijkheid hierover te vermijden wens ik hiermee ter kennis te brengen dat dergelijke wapenbezitters enkel van hun wapen afstand kunnen doen bij de lokale politie, die ze zal laten vernietigen.

De houder van een wapen waarvoor de hernieuwing van de vergunning niet is aangevraagd voor 31 oktober 2008 heeft geen enkele mogelijkheid om dit wapen nog langer voorhanden te houden, zelfs niet wanneer het geneutraliseerd werd door de proefbank te Luik. Het is bovendien niet mogelijk die wapens nog te verkopen aan particulieren en aan wapenhandelaars.

De verkoop en de aankoop van dergelijke wapens wordt beschouwd als een inbreuk op de wapenwetgeving.

Indien u na 31 oktober 2008 wapens waarvoor geen hernieuwing van de vergunning werd aangevraagd hebt verworven is het aangewezen dat u deze wapens inlevert bij de lokale politie. Indien u dergelijke wapens hebt aangekocht en reeds op uw beurt hebt doorverkocht is het aangewezen dat u de koper contacteert om het wapen terug over te nemen en de koopprijs restitueert. Ook deze wapens dienen bij de lokale politie te worden ingeleverd.